10 – 14 jaar oud

We waren samen aan het kleuren. Tijdens het kleuren tekende ze mij met mijn afro (die ik toen had), neus, lippen en grote bruine stippen als ogen. Bij het tekenen van mijn haar, haalde ze haar potlood niet van het papier af. Ze draaide ermee in grote en kleine cirkeltjes maar het eindresultaat waren grote zwarte krullen die als geheel wel op mijn haar leken. Ze had mijn gezicht niet ingekleurd. Mijn handen waren dezelfde kleur als die grote bruine stippen, mijn ogen. Ik vermoed dat ze mij daarom niet had ingekleurd. Er was namelijk geen lichtere variant van bruin aanwezig in het doosje potloden. Alleen het bruin van mijn ogen.

Vervolgens ging ze aan de slag met het tekenen van een ander poppetje. Ik vermoed een meisje, gele golvende strepen van het hoofd tot aan haar heupen. Het gezicht van dit kindje werd wél ingekleurd met het zalmroze potlood. Grote blauwe stippen die functioneerden als ogen en dit kindje kreeg in tegenstelling tot mijn poppetje welgeteld vier wimpers, verdeeld over de twee ogen. Ik vroeg haar wie ze getekend had en ze antwoordde ‘mezelf’.

Ik kan je vertellen, zo zag ze er niet uit. Ze had prachtig dik en sterk gekruld haar. Het werd door haar moeder iedere ochtend prachtig gevlochten en voorzien van kraaltjes, elastiekjes en/of clipjes. Ze had een mooie donkerbruine huidskleur met een natuurlijke glans en grote donkerbruine ogen. Waarom had ze zichzelf dan zo getekend? Ik vroeg het haar, ‘omdat ik ook een prinses wil zijn.’ antwoordde ze.

Over geïnternaliseerd racisme en het zelfbeeld

Dit is een voorbeeld van geïnternaliseerd racisme. Geïnternaliseerd racisme is het gevolg van individueel en institutioneel racisme. Mensen van kleur worden zowel impliciet als expliciet geconfronteerd met racisme. Hierdoor accepteren zij onbewust en onbedoeld racistische opvattingen, stereotypen en vooroordelen. Dit leidt tot vaak onbewuste denkpatronen en gedragingen die resulteren in het discrimineren, minimaliseren, bekritiseren en fout vinden van de zaken die met zichzelf of hun eigen cultuur te maken hebben. Eén van de uitingen van geïnternaliseerd racisme, is een negatief zelfbeeld.

Je zelfbeeld is een beeld dat je over jezelf hebt gevormd op basis van informatie uit je omgeving. Wat je vaak ziet, wat mensen over je zeggen en hoe mensen op je reageren. Het gaat niet alleen om hoe je eruit ziet, het gaat ook om waartoe je jezelf in staat stelt. Welke uitdagingen je kunt overwinnen op basis van hoe jij over jezelf denkt.

Kinderen van kleur, biculturele kinderen en kinderen met ouders van verschillende afkomsten kampen vaak met een negatief zelfbeeld. Zij doen uitspraken zoals ‘ik wil wit zijn’ of ‘ik vind mijn haar niet mooi’. Op bijvoorbeeld televisie zien zij veelal witte mensen. En als zij iemand zien die op hen lijkt, dan is het vaak in een stereotype rol. Dit gebrek leidt ertoe dat zij geen positief en representatief zelfbeeld kunnen vormen, en ook niet van mensen die op hen lijken. Hoe kunnen kinderen van kleur op basis van dit gebrek een positief beeld vormen van mensen van kleur, als zij deze positieve beelden te weinig zien? Hoe kunnen wij als volwassenen van kinderen verwachten dat zij een antiracistisch wereldbeeld vormen als zij dit niet veelvuldig te zien krijgen. Met een racistisch wereldbeeld bedoel ik, dat de kinderen op basis van huidskleur een oordeel vormen, hun handelen erdoor laten beïnvloeden en verwachtingen scheppen van mensen.

Zo viel het mij op dat toen er eindelijk (na decennia!) een zwarte Disney prinses kwam, prinses Tiana, zij de helft van de film een kikker was (Princess and the frog). Ook kun jij je eens testen hoeveel superhelden van kleur jij bijvoorbeeld kent. En hoeveel witte superhelden je bijvoorbeeld kunt opnoemen. Staat dat in verhouding tot elkaar?

Belangrijk om te weten

Voor de volledigheid van het begrip vind ik het belangrijk om te noemen dat ook mensen met een sterk zelfbeeld kunnen lijden onder geïnternaliseerd racisme. Maar dat is voor mijn blog niet de insteek. Daarnaast vind ik het ook belangrijk om te melden dat het niet een probleem is van meisjes. Het probleem heeft niets te maken met gender.

Als ouder is het hartverscheurend om te horen dat jouw kind ontevreden is met het uiterlijk en met name op basis van de culturele achtergrond. Door middel van dit stuk wil ik ouders handvatten geven om hiermee om t egaan.

1. Do the work

Als ouders heb je ontzettend veel invloed op het zelfbeeld van je kind. Zo heeft jouw eigen zelfbeeld, wat je van jezelf vindt, waartoe jij jezelf in staat acht en hoe tevreden je met jezelf bent, invloed op dat van je kind. Kinderen kijken naar belangrijke personen in hun omgeving om te zien hoe zij zich moeten gedragen. En in het geval van een laag zelfbeeld vanwege geïnternaliseerd racisme is hoe jij als ouder kijkt naar de culturen binnen je gezin, heel belangrijk. Met ‘Do the work’ bedoel ik dan ook dat jij als ouder met jezelf aan de slag gaat. Stilstaat bij antwoorden op vragen die jij jezelf nooit stelt. En wellicht ook vragen die nooit gesteld worden door mensen in je omgeving.

Vragen ter reflectie

Ik help je graag op weg met ‘Do the work’ in de vorm van een aantal vragen die je kunt meenemen in je reflectie. De antwoorden op deze vragen helpen je om aanknopingspunten te zoeken, punten die je helpen om je bewuste maar ook je onbewuste en automatische gedragingen en woorden te veranderen.

Wat zeg jij wanneer je de haren van je kind kamt? Ben je constant op zoek naar een haarmiddel dat het haar ‘zacht’ kan maken? Ben je constant op zoek naar een nieuwe kam of borstel voor het type krullen? En hoe reageer je op het haar van je kind na het zwemmen? Hoe vaak maak jij of iemand in de omgeving hier eigenlijk opmerkingen over? Je antwoorden op deze vragen helpen je om na te denken over de impliciete boodschappen die jij jouw kind meegeeft. En met name in een wereld waar kinderen van kleur niet gewaardeerd worden voor wie zij zijn, is jouw boodschap des te belangrijker.

Ouders van kleur

Voor ouders van kleur betekent dit specifieker wat is jouw relatie met jouw eigen haarstructuur en huidskleur? Wat heb je meegekregen in jouw opvoeding? Wat wordt er ‘grappenderwijs tegen jou gezegd over je haarstructuur en huidskleur? En wat sta je toe? Hoe en wanneer werd jij je bewust van je huidskleur en hoe ben je met dit besef omgegaan?

Witte ouders met een (ex-)partner van kleur

En voor witte ouders met een (ex-)partner van kleur, wanneer werd jij je eigenlijk bewust van je ras en huidskleur? Hoe ga je om met mensen van kleur, wat zeg je achter gesloten deuren, wat doe je als jij in de minderheid bent in een gezelschap? In hoeverre heb jij je verdiept in de cultuur van je (ex-)partner en kind? En hoe wordt er in jouw familie omgegaan met de cultuur van je partner en kind?

Daarnaast is het voor bi-culturele kinderen niet vreemd om het gevoel te hebben te moeten kiezen tussen twee culturen of een voorkeur te hebben voor één van de twee culturen. Over het algemeen is het een fase die voorbij gaat. In dit blog ga ik echter niet dieper op die situatie in. Hiervoor kunnen we een telefonische consult inplannen. Onderstaande tips kunnen wel ondersteunend werken.

Witte adoptieouders met een kind van kleur

Voor witte adoptieouders met een kind van kleur, wat krijgt jouw kind mee over de eigen cultuur? Hoe praat je hierover en welke culturele ervaringen krijgt jouw kind mee? Waar komt jouw kind in aanraking met de eigen cultuur? Hoe wordt er in jouw familie omgegaan met de cultuur van je en kind? Hoe leer jij jouw kind over je eigen cultuur en hoe verhouden die twee culturen zich tot elkaar?

Andere volwassenen

Ook kijken kinderen naar andere belangrijke volwassenen in hun omgeving, grootouders, leerkrachten en bijvoorbeeld de oppas. Wat is hun relatie met ‘ras’? Zijn zij zich bewust van micro-agressies en racisme? Wat zijn hun standpunten en hoe communiceren zij deze naar jouw kind en in de buurt van jouw kind? Welke boodschappen krijgt jouw kind mee uit de omgeving?

2. Spiegels aanbieden

Het is belangrijk dat jij als ouder de boodschap meegeeft dat jouw kind er moet zijn, niet mogen maar moeten. Dat jouw kind een ontzettend belangrijke bijdrage levert in de wereld, niet alleen voor jou en voor de familie maar dat de wereld simpelweg niet hetzelfde is zonder jouw kind. Dit zijn dingen die je laat zien, door middel van de hoeveelheid knuffels en kusjes maar ook hoe je tegen je kind praat en hoe je over je kind praat. Wat zeg je tegen je kind als je vrolijk en gelukkig bent en wat zeg je wanneer je boos en geïrriteerd bent? Of wanneer je teleurgesteld bent en hoe breng je dit over? En wat zeg je tegen andere mensen wanneer je denkt dat je kind je niet hoort?

Daarom is het belangrijk dat jij als ouder de boodschap communiceert dat je kind er moet zijn, niet mogen maar moet. Dit doe je door het aanbieden van spiegels. Zorg voor een boekenkast met verhalen over kinderen die op jouw kind lijken. Investeer in het kopen van poppen en poppetjes waar jouw kind mee kan spelen die op jouw kind lijken. En ga op zoek naar programma’s met mensen die op jouw kind lijken. Het is belangrijk dat jouw kind vergelijkbare mensen ziet in diverse posities in de maatschappij. Zoek voorbeelden waar jouw kind zich mee kan identificeren en voorbeelden waaraan jouw kind zich kan optrekken.

Op mijn Facebook en Instagram geef ik voorbeelden van spiegels, boeken die je kunt inzetten om jouw kind mee te geven dat het er moet zijn, er toe doet en een belangrijke bijdrage levert aan de wereld.

3. Werken aan het zelfbeeld

Nu je aan de slag bent gegaan met de randvoorwaarden van het zelfbeeld van je kind is het tijd om aan de slag te gaan met de kern van de uitspraak. Het zelfbeeld, zelf. Ik bespreek twee don’ts en vijf do’s.

1. Don’t: Gelijk positief toespreken

Wanneer een kind iets zegt dat kwetsend is zoals ‘ik wil wit zijn’ hebben we als volwassenen de neiging om gelijk het tegenovergestelde te zeggen, iets positiefs ‘Je bent prachtig zoals je bent’. We hopen dan dat het simpelweg zeggen van iets positief blijft hangen bij het kind. En dat ze het nooit meer zullen zeggen doordat wij het tegengesproken hebben. Hoewel we het goed bedoelen gaan we hiermee voorbij aan wat het kind zegt. We willen gelijk verandering en kappen daarmee het proces af. Eén van de gevolgen hiervan kan zijn dat je kind het nog wel vindt en voelt, maar dat het dit gevoel en mening niet meer uitspreekt.

2. Don’t: Vergelijken met anderen

Wanneer jouw kind een dergelijke uitspraak heeft gemaakt zoals hierboven, vergelijk jouw kind dan niet met andere mensen van kleur die ‘ook’ mooi zijn. Bijvoorbeeld, ‘je lijkt op Beyoncé en zij is ook heel erg mooi’, ‘je lijkt op mij, vind je mij dan niet mooi?’ Het gaat om het ‘zelf’beeld, dus is het belangrijk dat je aan de slag gaat met het beeld dat het kind van zichzelf heeft. Hoewel goed bedoeld kan het vervelende gevolgen hebben. Eén van de gevolgen hiervan kan zijn dat je kind zichzelf gaat vergelijken met anderen en je kind zal dit altijd op een manier doen waardoor het zichzelf als negatief ziet.

1. Do: Stel vragen

Een uitspraak als gevolg van een negatief zelfbeeld is niet in één dag gevormd, dus kunnen we hem ook niet in één dag omgooien. Zodra je kind dit kan uiten, kan het ook vragen beantwoorden als, ‘waarom wil je wit zijn?’. En wanneer je kind een antwoord geeft, stel dan weer een open vraag. Probeer jouw conclusie en goedbedoelde woorden een aantal zinnen uit te stellen. En pas wanneer je wat meer zicht hebt op wat je kind zegt en waarom, dan is het jouw beurt om te praten. Hiermee voorkom je dat je reageert op je eigen interpretatie en het gesprek een andere kant op leidt dan waar je kind behoefte aan heeft. Het feit dat je kind het uitspreekt is goed, alleen dan kun jij er namelijk mee aan de slag.

2. Do: Leren over de geschiedenis

Voor kinderen van kleur is het ontzettend belangrijk om te leren over de eigen geschiedenis. De trots van de cultuur, de heldendaden en bijvoorbeeld bijzondere uitvindingen van mensen waarmee jouw kind zich kan identificeren. In het Nederlands onderwijssysteem wordt dit namelijk vaak niet belicht. Het verhaal wordt verteld vanuit over het algemeen nog verteld vanuit het koloniale perspectief waardoor andere volkeren gezien worden als een volk met één cultuur, één taal. Het is belangrijk dat jij als ouder en opvoeder je kind bewust maakt van deze diversiteit en hen voorbeelden geeft om naar op te kijken. Ga (samen) op zoek naar informatie over de grootouders en voorouders, verhalen over de cultuur en land van herkomst. Het doel is namelijk dat je kind los komt van koloniale denkwijzen (geïnternaliseerd racisme) die het zelfbeeld negatief beïnvloeden.

4. Maak een plan en betrek de omgeving

Licht de omgeving in over de opmerkingen, hoe kunnen zij deze het beste herkennen en wat verwacht jij dat zij hierop antwoorden? Als jouw kind aangeeft ‘ik wil wit zijn’, is het belangrijk dat de omgeving op eenzelfde manier reageert. Zodat jouw kind niet van de ene persoon een schadelijk (en bevestigend) antwoord krijgt en van de ander een ander antwoord. Iedereen hoeft niet per sé het zelfde te zeggen, als jullie elkaar maar niet tegenspreken.

3. Do: Positieve affirmaties en spiegelwerk

Een krachtige manier om aan het zelfbeeld te werken is door de dag starten én/of eindigen met positieve affirmaties, deze formuleer je vanuit het kind en oefen je samen terwijl je in de spiegel kijkt. Maak er samen een leuke activiteit van, door er een rap van te maken, een gedicht of een liedje met een dansje erbij. Elk positief woord formuleer je vanuit ‘ik ben’, ‘ik heb’ of ‘ik kan’. Om je kind te motiveren kun je bijvoorbeeld starten met drie zinnen die jullie iedere ochtend bespreken in de spiegel, ‘ik ben mooi, zoals ik ben’, ‘ik heb een prachtige bruine huid’, ‘ik heb mooi haar’. Houd de zinnen kort en krachtig en benoem ze regelmatig. Zeg ze tegen de spiegel en zeg ze tegen elkaar. In het begin zal het wat moeizaam gaan en onwennig zijn. Maar hoe regelmatiger je het oefent des te normaler het wordt.

5. Neem de tijd

Verwacht niet op korte termijn resultaten. Zoals ik al aangaf het zelfbeeld wordt niet in korte tijd gevormd en dus kun je het ook niet in korte tijd veranderen. Consistency is key. Hoe vaker en beter je aan de slag gaat met de Do’s des te beter je kind het op pakt voor de lange termijn. Geef je kind daarom de ruimte om zich hierin te ontwikkelen. En vergeet vooral het stukje ‘Do The Work’ niet.

Meer info op Instagram en Facebook
Op zowel facebook als instagram heb ik bij deze post aanvullende informatie gezet. Het geheel, het lezen van deze blog en de plaatjes erbij op facebook en instagram maken veel duidelijk heb ik me laten vertellen door verschillende mensen die dit gedaan hebben. Wil jij het ook allemaal zo helder krijgen, volg me dan op:

‘Zij lijkt op een aap’. Ik kan het me nog goed herinneren. Ik werkte op een groep met kinderen van zes tot twaalf jaar en er kwam een nieuw meisje. De groep was voorheen altijd volledig wit en Nederlands en nu kwam er een Nederlands-Congolees meisje op de groep. Nadat zij zich voorstelde maakte één van de kinderen de opmerking. Ik had op dat moment zo graag gewild dat ze de moed had gehad om uit te spreken wat het met haar deed. In plaats daarvan klapte ze dicht en rende ze naar de gang.

Nu ik erover nadenk vind ik het vreemd dat ik toen alleen gehoopt had dat zij zich kon verweren. Begrijp me niet verkeerd, tuurlijk is dat ook belangrijk. Maar is het niet nét zo belangrijk dat je een opmerking als ‘zij lijkt op een aap’ niet maakt. Omdat je geleerd hebt dat het kwetsend is en dat het meer zegt over je eigen tekort aan kennis dan over de ander. En is het niet nét zo belangrijk dat je geleerd hebt dat je huidskleuren natuurlijk wél mag zien maar dat je op basis daarvan iemand niet uitscheldt of volgens jou eigen vooroordelen gaat behandelen?

Begin zo vroeg mogelijk

Driejarigen krijgen al te maken met raciale verschillen, micro agressies en racisme. Kinderen vanaf 6 maanden zien namelijk al kleur. Zij zien dat iemand een bruine of beige huidskleur heeft. Op basis van deze huidskleur hebben zij echter nog geen vooroordelen opgebouwd en dus behandelen zij mensen (nog) niet anders op basis van kleur. Met gemiddeld 5 jaar verandert dit. Witte kinderen kiezen dan eerder een ander wit speelmaatje. Terwijl dit bij zwarte kinderen niet het geval is.

Uit onder andere de klassieke poppentest (Clark & Clark) blijkt daarnaast dat kinderen vanaf ongeveer 4/5 jaar witte mensen een hogere, betere en mooiere status toe kennen dan mensen van kleur. Ook blijkt dat vijfjarigen al grotendeels dezelfde opvattingen hebben als hun ouders. Daarom is het belangrijk om je kind al zo vroeg mogelijk in aanraking te brengen met bepaalde begrippen en concepten die aan de basis liggen. Leer je kind daarom zo vroeg mogelijk over de verschillende huidskleuren, ongelijkheid, discriminatie en racisme. 

Toelichting

  • Micro agressies: korte en alledaagse opmerkingen en gedragingen die beledigende en negatieve vooroordelen overbrengen. Bijvoorbeeld een zwarte man die gevolgd wordt in de winkel. Of een Aziatische man vragen of hij ook zo goed kan rekenen of verwachten dat een vrouw van koken houdt.

Sluit aan bij wat je kind weet

Het belang van het aansluiten op wat je kind al weet is dat het gemakkelijker blijft hangen. Mensen leren het prettigst op basis van associaties. Gemiddelde driejarigen zijn geïnteresseerd in het leren van kleuren. Dit is één van de punten waar je op aan kunt sluiten. Als ze de basiskleuren kennen kun je ze vertellen dat het ‘huidkleurige’ krijtje niet op alle huidskleuren lijkt. Vertel ze dan gelijk dat ze dit krijtje het ‘zalmkleurige’ of ‘beige’ krijtje moeten noemen. Je kunt ze ook al vertellen dat ze een bruine huidskleur hebben maar toch een zwart kind zijn. Of dat ze een beige huidskleur hebben maar toch wit zijn en dat er mensen bestaan met een andere huidskleur. Als ze wat ouder zijn kun je ze uitleggen dat ‘blank’ een woord is dat sommige mensen nog wel zeggen maar dat wit eigenlijk netter en gepaster is en waarom.

Vertel ze over de huidskleuren van vriendjes/vriendinnetjes, neefjes/nichtjes en overige familieleden. En als iemand uit de omgeving een andere huidskleur heeft dan is dat ook een mooi punt om te bespreken. Begin bij wat het kind al kent en weet. Ze hoeven nog niet alles te begrijpen, dat doen ze namelijk ook niet wanneer jij ‘traktor’ voor de eerste keer uitlegt. Het gaat erom dat jij het gesprek start en aansluit bij wat ze op dat moment al weten of aan het leren zijn. Naarmate ze ouder worden kun je er meer aan toevoegen. Om ingewikkelde concepten als ‘racisme’ op latere leeftijd te kunnen begrijpen is het belangrijk dat kinderen onder andere begrippen als ‘pesten’ en ‘(on)gelijkheid’ kennen. Daarom is het belangrijk om goed na te denken over wat de basis is en wat je kind al weet.

Toelichting: 

  • Waarom wit in plaats van blank? De betekenis van blank is volgens het woordenboek onder andere: rein, onbevlekt, puur, heilig, in tegenstelling tot n-woord. Wit is een neutralere term die niet aangeeft dat iemand boven de ander staat, positiever, reiner en puurder is in tegenstelling tot anderen.

Wil je meer leren over antiracistisch opvoeden?

Op donderdag 13 augustus van 20.00-21.30u verzorg ik voor de tweede keer de online training. Anti-racistisch opvoeden gaat om het aanpassen van de opvoeding die je nu geeft. Het zit hem in cruciale onderdelen. Dit en nog meer bespreek ik tijdens de online training. Je kunt na afloop de training terugkijken, mocht je er op het moment niet bij kunnen zijn.

Bereid meerdere gesprekken voor

Geef je kind de tijd om het te leren en te begrijpen door het in hapklare brokken te bespreken en door wat je vorige keren besproken hebt weer te herhalen. Verwacht niet dat je kind het na één gesprek snapt, dit deed jij vast ook niet. Wanneer jullie samen tv kijken bespreek wat je ziet en koppel het aan wat er al besproken is. Op die manier werk je met je kind aan het begrijpen van de concepten, woorden en gebeurtenissen.

Denk na over jouw eigen relatie tot…

Jij bent het beginpunt en bepaald het resultaat en succes. Wat is jouw eigen relatie en ervaring met ras, huidskleur, haarstructuur, discriminatie en racisme. Hoe omschrijf jij jouw identiteit? Waar voel jij je met betrekking tot je identiteit en uiterlijk onzeker over en waar komt dit vandaan? Welke termen gebruik jij om mensen te omschrijven, hoe reageer je op mensen van jouw groep of juist van andere groepen? Neem de tijd en de ruimte om hierover na te denken. Maak aanpassingen waar nodig en denk na over de gedachtes die jij jouw kind wel én niet wilt meegeven. Wat zijn de dingen die je voor je zelf nog moet uitwerken en wie / wat kan je hiermee helpen? Door hierover na te denken voorkom je dat jouw bagage die van je kinderen wordt.

Breng je kind in aanraking met meerdere perspectieven

Door je kind kennis te laten maken met verschillende perspectieven maak je het voor je kind gemakkelijker om op een juiste manier met mensen om te gaan en je leert je kind om gevoelig en sensitief te zijn voor dingen die anders zijn. 

Boeken zijn daarvoor een goede manier. Kies daarom voor diverse boeken, boeken die gaan over mensen uit je omgeving maar ook mensen verder weg uit je omgeving. Herkenbare situaties maar ook onbekende situaties. Als je een wit kind hebt, koop eens een boek over een zwarte heldin. Als je een zwart kind hebt, breng je kind in aanraking met positieve verhalen over zwarte mensen. Want de positieve verhalen over witte mensen zien ze als ze hun tv aandoen, schoolboeken openslaan of willekeurig tijdschrift lezen. 

Films zijn daar ook een goede manier voor. Google welke films het beste bij welke onderwerpen passen en of ze recht doen aan het onderwerp waar het over gaat. Kijk samen met je kind en ga het gesprek aan over wat je kind ziet.

Evalueer je omgeving

Met wie of met wat kan jouw kind in aanraking komen? Dit is geen exacte wetenschap maar puur inschatten op basis van de buurt waar je woont, de populatie van de (voor)school van je kind, je woning, je vriendenkring, je familieleden. Wat voor mensen zijn er om je heen, lijken zij allemaal op jouw gezin? Is het enigzins een afspiegeling van de hele maatschappij? Wat is de opvatting van de mensen om je heen met betrekking tot ras, racisme, discriminatie, niet-westerse migranten etc. En hoe dragen zij deze opvattingen uit?

Wat ook belangrijk is dat je je kind helpt om oprechte relaties aan te gaan met mensen die niet op hen lijken met een andere achtergrond. Evalueer hiervoor de omgeving van je kind en je gezin. Lijkt iedereen in jouw kring op je kind of je gezin? Hoe kan jouw kind dan een kloppend wereldbeeld creëren? Hoe kan jouw kind zich dan inleven in iemand anders positie, ervaring, beleving en mening als het hier niet mee in aanraking komt. Als jij jouw kind een breder perspectief wilt meegeven en voorbereiden op een betere wereld dan is het belangrijk dat jouw kind deze bredere perspectieven ook kan ervaren. De beste manier om je kind bewust te maken van stereotypen en vooroordelen is door je kind oprechte relaties op te helpen bouwen met mensen die er anders uit zien dan je kind.

Ga de confrontatie aan

Als je in je omgeving merkt dat mensen dingen zeggen die niet overeenkomen met wat jij jouw kind wilt meegeven, leer jezelf dan om op een respectvolle manier de confrontatie aan te gaan. Dit kun je doen door bijvoorbeeld ‘hoe bedoel je?’ te zeggen of ‘kun je dit uitleggen?’. Hierdoor daag je mensen uit om écht na te denken over wat ze zeggen en er verantwoordelijkheid voor te nemen. Dit is een makkelijke manier die je ook je kind kunt aanleren. Je wilt dat je kind dit uiteindelijk ook respectvol doet, dus dan is dat wat je moet voordoen. Soms zullen emoties de overhand nemen en ook dat is prima, dan leg je dit achteraf aan je kind uit en hoe je het anders had kunnen oplossen. 

Bescherm je kinderen

Kinderen ervaren de wereld in delen. ‘De hond blafte wild naar mij’ betekent voor kinderen (zonder hond) dat alle honden gevaarlijk zijn. Zij hebben volwassenen nodig om er een geheel van te maken. Onder andere het nieuws kan (met name jonge) kinderen een onveilig gevoel geven en hen angstig maken. 

Dus als je samen het nieuws kijkt, voer er dan een gesprek over, kijk wat er besproken moet worden of genuanceerd moet worden en stel je kind hier vragen over.  Maak keuzes in waar je ze al wel aan wilt blootstellen en waar nog niet aan. Als ze ruzie hebben met een broertje of zusje ga je ook niet uitgebreid het gesprek aan over vergiffenis. Je laat ze het dan uitspreken, excuses aanbieden en ze gaan weer verder met hun leven. De kindvriendelijke versie van elkaar vergeven.

Bedenk ook wat belangrijk is voor je kind om te zien. Aan de ene kant is er een noodzaak om beelden te delen van mensen die hardhandig aangepakt worden door politie of zelfs vermoord worden. Aan de andere kant kan het met name bij kinderen (maar ook bij volwassenen) tot ongevoeligheid voor de beelden leiden, ze zien het zo vaak dus wordt het ‘normaal’. En ook kan het tot angstaanvallen en nachtmerries leiden omdat kinderen tot gemiddeld 16 jaar de context nog minder begrijpen dan de gemiddelde volwassenen.

Dus neem de leiding in wat je kind wel en wat je kind niet mag zien. Met oudere kinderen kun je dit ook als een keuze bespreken, eerst leg je uit waarom jij het afraad en wat het met jou deed en vervolgens vraag je je kind of hij/zij het toch nog wilt zien. Het is ook belangrijk om te weten dat als jij er zelf veel last van ervaart dat het beter is dat jij jouw kind niet de keuze geeft. Je wilt namelijk ook dat als jouw kind er meer last van ervaart dan hij/zij van tevoren bedacht heeft dat je kind bij jou terecht kan met vragen en zorgen, boosheid en verdriet. 

Leer je kind om verantwoordelijkheid te nemen

Kinderen kennen weinig schaamte, ze zeggen wat ze denken. Zo herkent elke volwassene wel het moment dat een kind een harde opmerking maakt over bijvoorbeeld een opvallend grote neus.  Kinderen zijn onbevangen en dat is ook niet het probleem. Het probleem zit hem vaak in dat ouders uit schaamte het kind tot stilte manen. Terwijl de ouder en de rest van de omgeving allemaal weten dat de persoon met de opvallend grote neus het gehoord heeft. In plaats van door de grond te zakken en je hoofd te begraven, kies ervoor om je kind uit te leggen dat het niet netjes is om zoiets te zeggen omdat het iemand kan kwetsen. En kijk hoe je kind het op een manier goed kan maken.

Kinderlijke onschuld begrijpen de meeste volwassenen maar door als ouder het er niet over te hebben leer je je kind het verkeerde gedrag aan. Zal je kind het dan niet meer doen? Vast wel. Het zit hem in de herhaling en je kind de tijd gunnen om te leren dat het niet netjes is, hoe ze het anders kunnen doen en hoe ze het kunnen oplossen. Een tweede keer wijs je gewoon op de vorige keer, ‘weet je nog vorige keer? Waarom was het niet netjes? Hoe ga je het goedmaken?’. Hierdoor leer je je kind om verantwoordelijkheid te nemen voor foutjes. Let er ook op dat als er gekozen wordt voor een excuses dat het een oprecht excuses is, ‘sorry dat jij je gekwetst voelt’ is absoluut niet hetzelfde als ‘sorry dat ik je uitgescholden heb, dat had ik niet moeten doen’.

Bescherm jezelf

Via social media en het nieuws krijg je veel informatie binnen. Deze informatie wordt niet voor je gefilterd en kan heftig binnen komen. Het leidt er bij veel volwassenen toe dat zij extra prikkelbaar zijn, verdriet en boosheid ervaren en niet per sé weten dat de beelden de oorzaak ervan zijn. Dus als je merkt dat je er niet tegen kunt, het is oké. Neem je rust, log uit, tv uit en focus op jezelf en je gezin. Maak tijd voor de positieve dingen en wanneer er weer ruimte in je hoofd is onderzoek dan wat jij kunt bijdragen aan de oplossing.

Gebruik de juiste termen

Om onderwerpen goed en duidelijk uit te leggen is het belangrijk dat je de beestjes bij hun naam noemt. Een 3-jarige hoef je nog niet uit te leggen over racisme. Maar je kunt het woord al wel een keer benoemen wanneer je verteld over dat mensen met een andere huidskleur anders behandeld worden. Dit is niet hetzelfde als pesten dus noem het dan ook niet zo.

Hoe omschrijf jij mensen? N-woord, blank, eskimo, koelie, bokoe, djoeka, indiaan? Onderzoek waarom dit geen juiste termen zijn en wat betere manieren zijn om iemand te omschrijven. Vraag jezelf ook af of afkomst of etniciteit ook belangrijk is voor wat je verteld. Vaak is dit een gewoonte waar we ons niet meer bewust van zijn.

Toelichting:

  • N-woord: een negatieve term om mensen met een donkerbruine huidskleur te omschrijven, benoem liever het land van herkomst. 
  • Eskimo: een negatieve term om inheemse bevolking van Alaska en arctische regio’s te benoemen, kies liever voor de gangbaardere term ‘Inuit’. 
  • koelie: een negatieve term om Surinamers met hun oorsprong in India te benoemen, het is beter om Hindoestaan te zeggen.
  • Bokoe: Een negatieve term om zwarte mensen van het continent Afrika te benoemen, het is beter om het land van oorsprong te noemen, bijv. de Congolees.
  • Djoeka: een negatieve term om zwarte mensen uit het binnenland van Suriname te noemen, benoem liever de naam van het volk; Saramaccaan, Aucaan of Ndjuka.
  • Indiaan: een negatieve term om de inheemse bevolking van de continenten noord- en Zuid-Amerika te benoemen, zeg liever inheemse bevolking van Noord- en/of Zuid-Amerika of noem de naam van het volk bijvoorbeeld Arowak, Maya’s, Cheyenne, Sioux.

Voor witte ouders

Het is fijn om in je omgeving mensen (van kleur) te hebben die je kunnen vertellen wat hun ervaring is. Echter is het ook belangrijk om te beseffen dat de ervaring van één iemand niet per sé zaligmakend is. Het is belangrijk dat je ook je eigen verantwoordelijkheid neemt in het onderzoeken van machtsverhoudingen, privileges en bijvoorbeeld institutioneel racisme. Hier bewust van zijn en veranderingen aanbrengen waar nodig is een ontzettend fijne en waardevolle bijdrage. Hierop kun je je taal en je houding aanpassen en dit kun je dan zowel bewust als onbewust meegeven aan je kinderen.

Ook wordt er door sommige mensen kleurenblindheid als optie genomen, kleurenblindheid is een gezegde waarmee men hoopt duidelijk te maken dat ze iedereen als gelijke zien. Hoe mooi het uitgangspunt ook is, gaat het totaal voorbij aan de werkelijkheid. Uit talloze voorbeelden blijkt dat mensen niet gelijk worden behandeld en door je ‘kleurenblind’ te verklaren ga je niet alleen voorbij aan de eigenheid en identiteit van mensen maar geef je ook aan dat je de situatie niet snapt. Mensen van kleur willen dat je hun kleur ziet, ze willen alleen niet dat zij op basis van die kleur (naam, uiterlijk, afkomst) anders behandeld worden.

Tot slot

Gesprekken over deze onderwerpen zijn niet makkelijk. En je moet er ook niet instappen met de gedachte dat je het met één á twee gesprekken wel uitgelegd hebt. Je voert de gesprekken om je kind te helpen begrijpen wat er in de wereld gebeurt en om je kind de keuze te geven om zich anders te gedragen. Deze gesprekken moeten door iedereen regelmatig gevoerd worden. Is het een permanente oplossing? Nee zeker niet, maar het is wat mij betreft een goed begin om de volgende generatie hier bewust van te maken.

Meer info op Instagram en Facebook
Op zowel facebook als instagram heb ik bij deze post aanvullende informatie gezet. Het geheel, het lezen van deze blog en de plaatjes erbij op facebook en instagram maken veel duidelijk. Wil jij het ook allemaal zo helder krijgen, volg me dan op

Wil je meer leren over dit onderwerp?

Op donderdag 13 augustus van 20.00-21.30u verzorg ik voor de tweede keer de online training. Anti-racistisch opvoeden gaat om het aanpassen van de opvoeding die je nu geeft. Het zit hem in cruciale onderdelen. Dit en nog meer bespreek ik tijdens de online training. Je kunt na afloop de training terugkijken, mocht je er op het moment niet bij kunnen zijn.

‘Ga uit mijn kamer!’ hoor je de ene schreeuwen. Ze staan beide met gebalde vuisten tegenover elkaar en je ziet eentje uithalen, het lukt je nog net om ertussen te springen om te voorkomen dat het wéér vechten wordt. Terwijl je springt schreeuw je iets in de trant van ‘en nu ophouden!’. Het logische gedeelte van de hersenen dat kan nadenken over ‘is dit nou wel zo slim?’, of ‘kan ik dit ook anders oplossen?’ staat uit bij je kinderen. Er kan nu niet logisch nagedacht worden er moet gehandeld worden, het is vechten, vluchten of bevriezen en de vuisten maken de keuze duidelijk.

Als volwassenen willen we dan dat ze sorry zeggen en het uitpraten. Op dat moment zodat jij verder kunt met koken. Hun hersenen zijn er echter nog niet toe in staat. Met een snelle ademhaling, boze blik en nog steeds één gebalde vuist zegt er eentje ‘sorry’ terwijl zijn andere hand uitreikt naar de ander. De ander loopt stampvoetend weg. Een veelvoorkomende situatie in gezinnen. Misschien niet precies zo maar vast wel vergelijkbaar. Soms ben je op tijd en vaak genoeg ben je te laat om er tussen te springen.

Ik kan me nog goed de dagen herinneren dat mijn moeder zich in haar kamer opsloot. Ze was het geruzie tussen mijn 4,5jaar oudere zus en ik zat en vond dat we het zelf maar moesten oplossen. We waren immers ook zonder haar hulp begonnen.

Het vervelende aan al die ruzies, discussies en vechtpartijen is misschien nog wel dat het normaal is en dat er zelfs voordelen aan zitten. Kinderen oefenen namelijk met vaardigheden zoals assertiviteit, het sluiten van compromissen, conflictbeheersing, eigen grenzen aanvoelen, communiceren én deze te bewaken. Dat het niet allemaal op de juiste manier gaat moeten wij volwassenen zien als an opportunity to teach. Een mogelijkheid voor jou als ouder om essentiële vaardigheden aan te leren die zij ongetwijfeld nog nodig zullen hebben in hun volwassen leven. Dus bij dezen mijn tips voor kinderen vanaf 6 jaar en ouder.

Hoe je het beste omgaat met vechtende broertjes en zusjes

1. Regels en waarden

Natuurlijk heb je al regels in je huis, en ‘niet slaan’ is een kwestie van logica. Maar het helpt enorm als je als gezin stilstaat bij wat jullie belangrijk vinden en wat jullie ongepast vinden. Mijn tip is dan ook, betrek alle gezinsleden bij deze stap op een rustig moment. Maak er geen college van maar een gesprek. Wat vinden jullie belangrijk en fijn, denk aan waarden zoals, respect, vriendelijkheid en behulpzaamheid. Het opstellen van gezinswaarden helpt om een richting te bepalen en vergroot het eenheidsgevoel. Neem ook de ruimte om gezamenlijk regels op te stellen. Let op, dat er regels zijn betekent niet dat het gedrag niet plaats zal vinden. Regels helpen slechts om het goede gedrag te stimuleren. Regels werken het effectiefst als ze omschrijven wat je wél verwacht. Dus niet ‘we slaan elkaar niet’, maar ‘we houden onze handen bij onszelf’. Het is voor ons mensen namelijk ontzettend moeilijk om te bedenken wat wél mag als je alleen geconfronteerd wordt met wat niet mag. Denk maar eens aan de volgende zin ‘We gaan nu niet aan de paarse olifant denken’, durf te wedden dat je het wel deed.

2. Wees de facilitator

Als volwassenen zijn we geneigd om in te grijpen, we willen het verhaal van beide kanten horen en als een rechter willen we dan bepalen wie er fout zat, wie er minder fout zat en we willen de strafmaat bepalen. Hiermee ontnemen we onze kinderen onbedoeld de mogelijkheid om met ruzies en onenigheden om te gaan. Een andere optie die je hebt is het te faciliteren, je begeleidt het dan in goede banen, stelt open vragen en velt er geen oordeel over. Bijvoorbeeld vragen zoals ‘hoe kunnen jullie dit het beste oplossen?’. Door middel van je vragen stimuleer je juist gedrag ‘en als je boos bent, wat kan jou dan helpen om minder boos te zijn?’. Help de kinderen om hun gevoel te uiten en hun fouten te erkennen. Als je ervoor kiest om de kinderen het zelf op te laten lossen, benoem dan dat je nog wel bereikbaar bent voor als het niet lukt, ‘Jullie gaan het nu zelf uitpraten, mocht het toch niet lukken dan ben ik in de woonkamer’.

3. Leer ze kalmeren

Op een kalm en ruzieloos moment is het goed om stil te staan bij manieren om te kalmeren als je boos bent, wat helpt je dan om af te koelen? Voor de één is het weglopen, voor de ander zijn het ademhalingsoefeningen. Er zijn tal van manieren om te oefenen met kalmeren, denk aan yoga en ademhalingstechnieken maar ook de 5-4-3-2-1 techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu, waar boosheid en woede even rol spelen. Voor sommige kinderen (met name jonge kinderen) helpt het als je deze manieren om te kalmeren visueel maakt door ze op te schrijven en plaatjes erbij te zoeken. Wanneer ze dan boos zijn kun je ze de opties laten zien en vragen wat ze nu willen proberen om te kalmeren.

4. Praat over emoties

Leer je kinderen over emoties, wat ze inhouden en hoe zij deze bij zichzelf en bij anderen kunnen herkennen. Hoe ziet het eruit als je broertje geïrriteerd raakt? Wat gebeurt er als je niet stopt terwijl je zus boos wordt? Het is belangrijk dat kinderen leren dat emoties een doel hebben, dat iedereen ze heeft en dat er zowel fijne als verkeerde manieren zijn om je emoties te uiten.

[download_after_email id=”3171″]

5. Voorbeeld doet volgen

Net als vrijwel alles bij kinderen, helpt het als je als ouder het juiste voorbeeld geeft. Als je laat zien hoe het moet. We kunnen praten wat we willen maar als onze acties onze woorden tegenspreken, kiezen kinderen nou eenmaal de acties om na te doen. Dus als je ruzie of een onenigheid hebt met de andere ouder, jouw eigen broers en zussen of andere mensen, wees je bewust dat je kinderen meekijken, meeluisteren én notities maken. Vanzelfsprekend maken wij ouders ook wel eens fouten, zijn we boos en schelden we iemand uit. De trick is dan to own up to it. Erken je fout en bespreek hoe je het op kunt lossen, ‘Oeps, ik had even moeten kalmeren voordat ik dat zei, Sorry dat ik…’. Vermijd een excuses waarin je ‘maar’ gebruikt. Dat is namelijk een manier om het foute gedrag goed te praten. Denk aan ‘Sorry dat ik je geschopt heb maar ik was heel boos’.

6. Waardeer de verschillen

In onze maatschappij hechten we veel waarde aan labels. We houden ons bezig met de allerslimste, de allerbeste en de allermooiste. En onbewust zijn we er ook in ons eigen gezin mee bezig. Het ene kind wordt ‘die slimme’ genoemd en die andere ‘die met het goede haar’. Op kinderen kan dit een vervelende uitwerking hebben. Want als zij ‘die slimme’ is, ben ik het dan niet? En als zij ‘die met het goede haar is’, is mijn haar dan lelijk? Onbedoeld kan het voor gevoelens van jaloezie, onzekerheid en ontevredenheid leiden. Wees je dus bewust in hoe je over je kinderen praat en hoe anderen over jouw kinderen praten. Want het kan voor vervelende gevoelens naar broers en zussen toe zorgen. Zoek ook mogelijkheden om met ieder kind tijd door te brengen. Heb je er één die ontzettend uitblinkt in sport en waarvoor je het hele land afreist, kijk dan hoe je extra ook één op één tijd kunt doorbrengen met de andere(n).

7. Prepare for peace

In plaats van prepare for war, prepare for peace. Rollenspellen zijn een goede manier om met je kinderen te oefenen hoe zij hun ruzies een volgende keer beter kunnen oplossen. Doe dit op een moment dat er geen ruzies en onenigheden spelen en kijk of je er wat humor aan toe kunt voegen. Gebruik oude ruzies en situaties om te kijken hoe ze anders hadden kunnen reageren. Om ook het empathisch vermogen te vergroten helpt het als je van rol laat wisselen. Help ze om vanuit zichzelf te communiceren door middel van de ‘ik-boodschap’, ‘ik vind het niet fijn dat je dit doet’.

8. Neem de tijd

Ruzies tussen broertjes en zusjes zijn normaal. Deze tips kunnen je helpen om de ruzies te verminderen en wellicht wat eerlijker te laten verlopen. Ook kunnen ze helpen om ze op een andere betere manier te laten verlopen, maar ze gaan niet weg. Probeer het als kansen te zien om je kinderen de dingen te leren die zij nodig hebben voor hun volwassen leven. Wees geduldig en herhaal de tips regelmatig. Conflicthantering is een hele ingewikkelde en moeilijke vaardigheden, je kent vast genoeg volwassenen die er nog steeds mee worstelen. Dus wees niet te streng voor je kinderen. Evalueer van tijd tot tijd de regels en waarden en kijk waar aanpassingen nodig zijn. Mocht je er alleen niet uitkomen, vraag hulp.

Heb jij een kind dat wel eens blijft hangen in negativiteit? Een kind waarop een negatieve gebeurtenis lang effect heeft? Slecht nieuws meer dan goed nieuws? Aan de ene kant is dit heel normaal, zo zijn de hersenen van alle mensen geprogrammeerd. We zijn scherp op negativiteit omdat het ons kan bedreigen. Dus zien onze hersenen het als belangrijker dan iets dat we als positief ervaren. Maar het is ook een vicieuze cirkel. Hoe negatiever we denken des te negatiever we ons gaan gedragen en des te negatiever we alles gaan zien. Dit kan afglijden tot aan het ongezonde aan toe, denk aan depressies en burnouts (ook onder kinderen!). Het goede nieuws is dat het te veranderen is. Wij mensen kunnen onze hersenen ‘herprogrammeren’. We kunnen positiever leren denken, ons daardoor positiever gaan gedragen, situaties positiever inzien waardoor we er ook weer positiever over kunnen gaan denken.

Wist je bijvoorbeeld dat ‘je gelukkig voelen’ meer te maken heeft met je gedachten dan met je omstandigheden. Op het moment dat je gelukkig bent, kun je beter presteren, op school, je hobby’s, in contact met andere mensen en gewoon in het dagelijks leven. Daarom is het belangrijk dat we onze kinderen leren om positiever te denken. Zodat zij niet alleen streven om succesvol te worden in het leven maar ook gelukkig zijn. Want wat is succes zonder dat je gelukkig bent?

Hoe jij jouw kind een positieve mindset aanleert

1. Praat over emoties

Het is belangrijk dat kinderen leren dat emoties een doel hebben, dat iedereen ze heeft en dat er zowel fijne als verkeerde manieren zijn om ze te uiten. Je wilt een kind niet aanmoedigen om zijn emoties weg te stoppen maar juist aan te leren hoe ermee om te gaan. Zowel de fijne als de vervelende emoties. Gevoelens zoals verdriet en boosheida helpen ons om een verandering aan te brengen in ons denken of onze omgeving. Wanneer je kinderen verdrietig zijn, reageer begripvol en empathisch. Liever ‘ik begrijp het, het is vervelend dat je niet uitgenodigd bent voor het feestje en je mag daar best verdrietig over zijn’ dan ‘Kop op, het is maar een feestje, good vibes only!’.

2. Wees je bewust van taal

Taal is krachtiger dan we ons soms bewust zijn. Het kan een kind maken en zeker ook breken. Als ouders zijn wij verantwoordelijk voor de manier waarop het gedachtenstemmetje communiceert, positief of negatief. Als je kind een negatieve emotie ervaart en misschien op een verkeerde manier uit, kijk dan hoe je je kind bewust kunt maken van die emotie, hoe je deze emotie herkent en bespreek hoe emotie gepaster geuit kan worden. Denk aan een boos kind dat brutaal is en de deur dichtgooit. Vaak hebben we als ouders dan de neiging om op de deur te reageren en hoewel dat fout is, gebeurt het omdat het kind boos is en hier nog niet mee om weet te gaan. Je kunt je kind dan wel verbieden om de deur nog aan te raken maar het is zinvoller als je je kind leert hoe je met boosheid omgaat.

3. Helaas… maar gelukkig!

Op speelse wijze kun je kinderen leren om het positieve in negatieve situaties te zien. ‘Helaas is het niet gelukt om op tijd te komen maar gelukkig konden we hierdoor wat extra tijd met elkaar door brengen’. Het kunnen fictieve situaties zijn maar ook milde en echte situaties. De eerste keren zul je de ‘maar gelukkig’ wat vaker moeten demonstreren voordat ze het doorhebben maar kinderen leren dit snel. Probeer dit ook in je dagelijkse gesprekken zo te bespreken, daar word je zelf ook positiever van.

4. Denk hardop

‘Kinderen doen niet wat we zeggen, ze doen wat ze bij ons gezien hebben.’. Als ze zien dat iets voor ons volwassenen werkt, dan zullen zij het ook doen. Dus wanneer jij een fout maakt, verdrietig bent, boos bent of wat dan ook begin met ‘helaas, maar gelukkig’. Vertel eerlijk over je emoties, welke opties je hebt en waarom je de keuze maakt die je wilt maken. Betrek je kind in (gepaste) situaties om mee te denken over de keuzes die je hebt.

[download_after_email id=”3171″]

5. Oefen met dankbaarheid

Met oudere kinderen werkt het goed als je samen een dagboekje bijhoudt, waarin je stilstaat bij dankbaarheid en bijvoorbeeld de ‘helaas, maar gelukkig’ momenten. Je kunt erin opschrijven hoe jij je gevoeld hebt en wat er voor positieve kant aan zit. Dit kun je dan bijvoorbeeld één moment in de week samen na lezen en weer bij stil staan. Doordat jullie het samen doen kunnen jullie van elkaar leren, elkaar eraan helpen herinneren en elkaar uitdagen om dieper te gaan. Hierdoor trainen jullie je hersenen om bewuster te worden van de positieve dingen in jullie levens en het is een mooie gezinsactiviteit. Met kleinere kinderen die nog niet kunnen schrijven kun je het bijvoorbeeld ‘s avonds voor het slapengaan bespreken.

6. Wees je bewust van het nu

Vaak houden negatieve gedachten verband met het verleden of de toekomst. Mindfullness is een goede manier om je bewust te worden van het nu, je gevoel, waar je bent en wat voor invloed dat op je heeft. Er zijn verschillende manieren om je bezig te houden met mindfullness en daardoor zit er vast wel iets tussen dat bij jou en je kind past. Denk aan ademhalingsoefeningen, yoga of de ‘5-4-3-2-1’-techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu, waar angst en onzekerheid even geen rol spelen.

7. Maak een kalender

Maak samen met je kind een kalender waarop je bijhoudt wat de leuke dingen zijn, zodat je kind ernaar kan aftellen. Met de mogelijkheid om dagen die geweest zijn af te kruisen help je je kind om zich bewust te zijn van de tijd en dagen en geef je je kind ook de ruimte om uit te kijken naar leuke gebeurtenissen. Kinderen zijn gelukkiger als ze naar iets uit kunnen kijken. Iedere keer als ze eraan denken komen er gelukshormonen vrij en die helpen om op dat moment gelukkig en positief te zijn. Ook het uitstellen van bepaalde beloningen helpt, denk dan aan een beloning als in de tuin met water spelen. Verplaats je in je kind, hoe leuk is het als je weet dat je over twee dagen met water mag spelen in de tuin. Iedere ochtend kijk je op je kalender en zie je dat het al bijna zover is. Ieder moment dat je kijkt, komen er weer gelukshormonen vrij. Die je kunnen helpen om je dag positief te starten.

Daar stond hij dan. 11 jaar, en klaar om het podium op te gaan. Strak in het pak, tekst in zijn hoofd (en op een spiekbriefje) en zijn haar netjes gevlochten. Ik liep als projectleider en coach nog even langs alle kinderen en toen viel het me op. Zijn geschrokken blik, knikkende knieën en de rode vlekken in zijn nek. Hij was angstig. Toen ik hem vroeg hoe het met hem ging, rende hij naar het toilet en hij wilde er niet meer vanaf komen. Faalangst. Een belemmerende angst die hem ervan weerhield om zijn eindpresentatie te geven. Ondanks dat hij zijn tekst zo goed kende en ondanks dat zijn tekst maar uit drie zinnen bestond.

Kinderen met faalangst vreten zichzelf op om soms voor ons onduidelijke redenen, het komt op ons niet logisch over. Want hij kan wel zingen in het koor van de kerk, zelfs zijn solo maar zijn presentatie van drie zinnen lukt niet. Ze krijgen buikpijn, hoofdpijn en vermijden op elke mogelijke manier dat waar ze zo angstig voor zijn. Voor ouders, ooms en tantes kan dit erg lastig zijn. Want wat kan er nou mis gaan als je op een podium staat. Faalangst gaat niet alleen over op een podium staan, het kan ook te maken hebben met de angst om een toets te maken, spreekbeurt te geven en zelfs de angst om mee te doen aan gym. Ik zou graag willen zeggen dat je faalangst verhelpt met mijn zes tips, maar dat is niet zo. Het zijn slechts simpele tips die je kunnen helpen in het benaderen van je kind en als je het echt niet meer weet, zoek hulp, een coach/trainer, de intern begeleider van school, het wijkteam, consultatiebureau en zelfs de huisarts kunnen je adviseren.

Hoe jij je kind met faalangst kunt helpen

1. Herkennen en accepteren

Kinderen met faalangst zijn geen watje, softie, bobo (Surinaams) of kobarde (Papiamento). Naampjes en labeltjes geven helpt totaal niet. Het geeft hen het gevoel dat je het niet serieus neemt. Faalangst verminderen helpt met het serieus nemen van het kind en zijn of haar angst. Bied een veilige omgeving waarin er zonder oordeel en dwang over gesproken kan worden. Accepteer dat je kind last heeft van faalangst en bedenk of jouw verwachtingen van je kind mee kunnen spelen in de angst die je kind ervaart.

2. Leer je kind over angst en het doel

Angst is niet zomaar, het heeft de essentiële functie om te zorgen dat je kunt overleven. Het maakt je alert op eventueel gevaar en zo zorgt het ervoor dat je veilig bent of de veiligheid kunt opzoeken. Het goede nieuws is dat faalangst af te leren is. Het begint heel klein bij jou als ouder met het geven van het goede voorbeeld. Dit kun je doen door allereerst toe te geven wanneer je iets angstig of spannend vind. Ten tweede, dat wat je angstig of spannend vind toch te doen en dan het liefst in het zicht van je kind. En tot slot het er met je kind over te hebben hoe je dit ervaren hebt. Hiermee leer je je kind niet alleen dat het normaal is om angstig te zijn, maar ook dat je angst begrijpt en dat je manieren weet hoe je dit kunt overwinnen.

3. Eerst kalmeren dan praten

Wanneer kinderen met faalangst aangeven dat ze iets niet durven dan is onze neiging om hen uit te leggen dat ze het wel kunnen. Dat ze een kanjer zijn en dat willekeurig-kleiner-of-jonger-persoon het wel kan en gedaan heeft. We willen ze aan de hand nemen en hopen dat ze de moed bij elkaar rapen. Terwijl in feite hun hersenen geblokkeerd zijn, ze staan onterecht in een vecht-vlucht en/of bevries modus. De hersenen zien slechts die drie opties. Voor anderen is de angst vaak onbegrijpelijk en daarom willen we praten, maar praten helpt niet. Het is belangrijker om het kind eerst te kalmeren. Maak gebruik van ademhalings- bewustwordings- en visualisatieoefeningen. Even terug naar de kern en die kalmeren.

4. Leer je kind copingsstrategieeen

Coping gaat over hoe je met stress en problemen omgaat. Er zijn veel verschillende copings strategieën en het is vaak een kwestie van proberen en kijken wat er past. Copingsstrategieen bij kinderen werken het beste als je ze samen doet. Denk aan ademhalingstechnieken en bewustwordingstechnieken. Een tactiek die ik kinderen graag meegeef is de ‘5-4-3-2-1’ techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu. Je kunt het preventief gebruiken maar ook wanneer de angst zich al voordoet.

[download_after_email id=”3171″]

5. Focus op het proces

Kinderen met faalangst zijn zelden tevreden, uit angst voor hun eigen teleurstelling en die van anderen gaan ze soms spannende dingen niet aan. Soms gaan ze het wel aan stoppen ze omdat ze ontevreden zijn over de start en bang zijn voor het resultaat. Het is belangrijk dat jij als ouder je kind helpt om op het proces te focussen en niet op het eindresultaat. Voer gesprekjes over hoe ze iets vinden zolang ze er nog mee bezig zijn. Leer je kind over de groeimindset en dat ze invloed hebben op hun angst en dat ze ervan af kunnen komen.

6. Weet wanneer je moet instappen

Dit is lastig maar zeer belangrijk. Het is lastig omdat het om een balans gaat, de balans tussen je kind beschermen en je kind zijn/haar angst laten ervaren. Enerzijds is het namelijk belangrijk dat jij je kind met kleine stapjes uitdaagt en soms de angst laat ervaren. Anderzijds is het belangrijk dat je tijdig ingrijpt om erger te voorkomen. Deze stap is puur intuïtief, niemand kent je kind zoals jij dat doet en het feit dat je erover nadenkt en ermee bezig bent zal je helpen om op het moment een keuze te maken. Geef je kind om tijd en ruimte te leren van zijn / haar fouten, praat erover en kijk waar en wanneer jij je kind beter nog even kunt beschermen.