Over de groeimindset en de vaste mindset

We waren samen aan het kleuren. Tijdens het kleuren tekende ze mij met mijn afro (die ik toen had), neus, lippen en grote bruine stippen als ogen. Bij het tekenen van mijn haar, haalde ze haar potlood niet van het papier af. Ze draaide ermee in grote en kleine cirkeltjes maar het eindresultaat waren grote zwarte krullen die als geheel wel op mijn haar leken. Ze had mijn gezicht niet ingekleurd. Mijn handen waren dezelfde kleur als die grote bruine stippen, mijn ogen. Ik vermoed dat ze mij daarom niet had ingekleurd. Er was namelijk geen lichtere variant van bruin aanwezig in het doosje potloden. Alleen het bruin van mijn ogen.

Vervolgens ging ze aan de slag met het tekenen van een ander poppetje. Ik vermoed een meisje, gele golvende strepen van het hoofd tot aan haar heupen. Het gezicht van dit kindje werd wél ingekleurd met het zalmroze potlood. Grote blauwe stippen die functioneerden als ogen en dit kindje kreeg in tegenstelling tot mijn poppetje welgeteld vier wimpers, verdeeld over de twee ogen. Ik vroeg haar wie ze getekend had en ze antwoordde ‘mezelf’.

Ik kan je vertellen, zo zag ze er niet uit. Ze had prachtig dik en sterk gekruld haar. Het werd door haar moeder iedere ochtend prachtig gevlochten en voorzien van kraaltjes, elastiekjes en/of clipjes. Ze had een mooie donkerbruine huidskleur met een natuurlijke glans en grote donkerbruine ogen. Waarom had ze zichzelf dan zo getekend? Ik vroeg het haar, ‘omdat ik ook een prinses wil zijn.’ antwoordde ze.

Over geïnternaliseerd racisme en het zelfbeeld

Dit is een voorbeeld van geïnternaliseerd racisme. Geïnternaliseerd racisme is het gevolg van individueel en institutioneel racisme. Mensen van kleur worden zowel impliciet als expliciet geconfronteerd met racisme. Hierdoor accepteren zij onbewust en onbedoeld racistische opvattingen, stereotypen en vooroordelen. Dit leidt tot vaak onbewuste denkpatronen en gedragingen die resulteren in het discrimineren, minimaliseren, bekritiseren en fout vinden van de zaken die met zichzelf of hun eigen cultuur te maken hebben. Eén van de uitingen van geïnternaliseerd racisme, is een negatief zelfbeeld.

Je zelfbeeld is een beeld dat je over jezelf hebt gevormd op basis van informatie uit je omgeving. Wat je vaak ziet, wat mensen over je zeggen en hoe mensen op je reageren. Het gaat niet alleen om hoe je eruit ziet, het gaat ook om waartoe je jezelf in staat stelt. Welke uitdagingen je kunt overwinnen op basis van hoe jij over jezelf denkt.

Kinderen van kleur, biculturele kinderen en kinderen met ouders van verschillende afkomsten kampen vaak met een negatief zelfbeeld. Zij doen uitspraken zoals ‘ik wil wit zijn’ of ‘ik vind mijn haar niet mooi’. Op bijvoorbeeld televisie zien zij veelal witte mensen. En als zij iemand zien die op hen lijkt, dan is het vaak in een stereotype rol. Dit gebrek leidt ertoe dat zij geen positief en representatief zelfbeeld kunnen vormen, en ook niet van mensen die op hen lijken. Hoe kunnen kinderen van kleur op basis van dit gebrek een positief beeld vormen van mensen van kleur, als zij deze positieve beelden te weinig zien? Hoe kunnen wij als volwassenen van kinderen verwachten dat zij een antiracistisch wereldbeeld vormen als zij dit niet veelvuldig te zien krijgen. Met een racistisch wereldbeeld bedoel ik, dat de kinderen op basis van huidskleur een oordeel vormen, hun handelen erdoor laten beïnvloeden en verwachtingen scheppen van mensen.

Zo viel het mij op dat toen er eindelijk (na decennia!) een zwarte Disney prinses kwam, prinses Tiana, zij de helft van de film een kikker was (Princess and the frog). Ook kun jij je eens testen hoeveel superhelden van kleur jij bijvoorbeeld kent. En hoeveel witte superhelden je bijvoorbeeld kunt opnoemen. Staat dat in verhouding tot elkaar?

Belangrijk om te weten

Voor de volledigheid van het begrip vind ik het belangrijk om te noemen dat ook mensen met een sterk zelfbeeld kunnen lijden onder geïnternaliseerd racisme. Maar dat is voor mijn blog niet de insteek. Daarnaast vind ik het ook belangrijk om te melden dat het niet een probleem is van meisjes. Het probleem heeft niets te maken met gender.

Als ouder is het hartverscheurend om te horen dat jouw kind ontevreden is met het uiterlijk en met name op basis van de culturele achtergrond. Door middel van dit stuk wil ik ouders handvatten geven om hiermee om t egaan.

1. Do the work

Als ouders heb je ontzettend veel invloed op het zelfbeeld van je kind. Zo heeft jouw eigen zelfbeeld, wat je van jezelf vindt, waartoe jij jezelf in staat acht en hoe tevreden je met jezelf bent, invloed op dat van je kind. Kinderen kijken naar belangrijke personen in hun omgeving om te zien hoe zij zich moeten gedragen. En in het geval van een laag zelfbeeld vanwege geïnternaliseerd racisme is hoe jij als ouder kijkt naar de culturen binnen je gezin, heel belangrijk. Met ‘Do the work’ bedoel ik dan ook dat jij als ouder met jezelf aan de slag gaat. Stilstaat bij antwoorden op vragen die jij jezelf nooit stelt. En wellicht ook vragen die nooit gesteld worden door mensen in je omgeving.

Vragen ter reflectie

Ik help je graag op weg met ‘Do the work’ in de vorm van een aantal vragen die je kunt meenemen in je reflectie. De antwoorden op deze vragen helpen je om aanknopingspunten te zoeken, punten die je helpen om je bewuste maar ook je onbewuste en automatische gedragingen en woorden te veranderen.

Wat zeg jij wanneer je de haren van je kind kamt? Ben je constant op zoek naar een haarmiddel dat het haar ‘zacht’ kan maken? Ben je constant op zoek naar een nieuwe kam of borstel voor het type krullen? En hoe reageer je op het haar van je kind na het zwemmen? Hoe vaak maak jij of iemand in de omgeving hier eigenlijk opmerkingen over? Je antwoorden op deze vragen helpen je om na te denken over de impliciete boodschappen die jij jouw kind meegeeft. En met name in een wereld waar kinderen van kleur niet gewaardeerd worden voor wie zij zijn, is jouw boodschap des te belangrijker.

Ouders van kleur

Voor ouders van kleur betekent dit specifieker wat is jouw relatie met jouw eigen haarstructuur en huidskleur? Wat heb je meegekregen in jouw opvoeding? Wat wordt er ‘grappenderwijs tegen jou gezegd over je haarstructuur en huidskleur? En wat sta je toe? Hoe en wanneer werd jij je bewust van je huidskleur en hoe ben je met dit besef omgegaan?

Witte ouders met een (ex-)partner van kleur

En voor witte ouders met een (ex-)partner van kleur, wanneer werd jij je eigenlijk bewust van je ras en huidskleur? Hoe ga je om met mensen van kleur, wat zeg je achter gesloten deuren, wat doe je als jij in de minderheid bent in een gezelschap? In hoeverre heb jij je verdiept in de cultuur van je (ex-)partner en kind? En hoe wordt er in jouw familie omgegaan met de cultuur van je partner en kind?

Daarnaast is het voor bi-culturele kinderen niet vreemd om het gevoel te hebben te moeten kiezen tussen twee culturen of een voorkeur te hebben voor één van de twee culturen. Over het algemeen is het een fase die voorbij gaat. In dit blog ga ik echter niet dieper op die situatie in. Hiervoor kunnen we een telefonische consult inplannen. Onderstaande tips kunnen wel ondersteunend werken.

Witte adoptieouders met een kind van kleur

Voor witte adoptieouders met een kind van kleur, wat krijgt jouw kind mee over de eigen cultuur? Hoe praat je hierover en welke culturele ervaringen krijgt jouw kind mee? Waar komt jouw kind in aanraking met de eigen cultuur? Hoe wordt er in jouw familie omgegaan met de cultuur van je en kind? Hoe leer jij jouw kind over je eigen cultuur en hoe verhouden die twee culturen zich tot elkaar?

Andere volwassenen

Ook kijken kinderen naar andere belangrijke volwassenen in hun omgeving, grootouders, leerkrachten en bijvoorbeeld de oppas. Wat is hun relatie met ‘ras’? Zijn zij zich bewust van micro-agressies en racisme? Wat zijn hun standpunten en hoe communiceren zij deze naar jouw kind en in de buurt van jouw kind? Welke boodschappen krijgt jouw kind mee uit de omgeving?

2. Spiegels aanbieden

Het is belangrijk dat jij als ouder de boodschap meegeeft dat jouw kind er moet zijn, niet mogen maar moeten. Dat jouw kind een ontzettend belangrijke bijdrage levert in de wereld, niet alleen voor jou en voor de familie maar dat de wereld simpelweg niet hetzelfde is zonder jouw kind. Dit zijn dingen die je laat zien, door middel van de hoeveelheid knuffels en kusjes maar ook hoe je tegen je kind praat en hoe je over je kind praat. Wat zeg je tegen je kind als je vrolijk en gelukkig bent en wat zeg je wanneer je boos en geïrriteerd bent? Of wanneer je teleurgesteld bent en hoe breng je dit over? En wat zeg je tegen andere mensen wanneer je denkt dat je kind je niet hoort?

Daarom is het belangrijk dat jij als ouder de boodschap communiceert dat je kind er moet zijn, niet mogen maar moet. Dit doe je door het aanbieden van spiegels. Zorg voor een boekenkast met verhalen over kinderen die op jouw kind lijken. Investeer in het kopen van poppen en poppetjes waar jouw kind mee kan spelen die op jouw kind lijken. En ga op zoek naar programma’s met mensen die op jouw kind lijken. Het is belangrijk dat jouw kind vergelijkbare mensen ziet in diverse posities in de maatschappij. Zoek voorbeelden waar jouw kind zich mee kan identificeren en voorbeelden waaraan jouw kind zich kan optrekken.

Op mijn Facebook en Instagram geef ik voorbeelden van spiegels, boeken die je kunt inzetten om jouw kind mee te geven dat het er moet zijn, er toe doet en een belangrijke bijdrage levert aan de wereld.

3. Werken aan het zelfbeeld

Nu je aan de slag bent gegaan met de randvoorwaarden van het zelfbeeld van je kind is het tijd om aan de slag te gaan met de kern van de uitspraak. Het zelfbeeld, zelf. Ik bespreek twee don’ts en vijf do’s.

1. Don’t: Gelijk positief toespreken

Wanneer een kind iets zegt dat kwetsend is zoals ‘ik wil wit zijn’ hebben we als volwassenen de neiging om gelijk het tegenovergestelde te zeggen, iets positiefs ‘Je bent prachtig zoals je bent’. We hopen dan dat het simpelweg zeggen van iets positief blijft hangen bij het kind. En dat ze het nooit meer zullen zeggen doordat wij het tegengesproken hebben. Hoewel we het goed bedoelen gaan we hiermee voorbij aan wat het kind zegt. We willen gelijk verandering en kappen daarmee het proces af. Eén van de gevolgen hiervan kan zijn dat je kind het nog wel vindt en voelt, maar dat het dit gevoel en mening niet meer uitspreekt.

2. Don’t: Vergelijken met anderen

Wanneer jouw kind een dergelijke uitspraak heeft gemaakt zoals hierboven, vergelijk jouw kind dan niet met andere mensen van kleur die ‘ook’ mooi zijn. Bijvoorbeeld, ‘je lijkt op Beyoncé en zij is ook heel erg mooi’, ‘je lijkt op mij, vind je mij dan niet mooi?’ Het gaat om het ‘zelf’beeld, dus is het belangrijk dat je aan de slag gaat met het beeld dat het kind van zichzelf heeft. Hoewel goed bedoeld kan het vervelende gevolgen hebben. Eén van de gevolgen hiervan kan zijn dat je kind zichzelf gaat vergelijken met anderen en je kind zal dit altijd op een manier doen waardoor het zichzelf als negatief ziet.

1. Do: Stel vragen

Een uitspraak als gevolg van een negatief zelfbeeld is niet in één dag gevormd, dus kunnen we hem ook niet in één dag omgooien. Zodra je kind dit kan uiten, kan het ook vragen beantwoorden als, ‘waarom wil je wit zijn?’. En wanneer je kind een antwoord geeft, stel dan weer een open vraag. Probeer jouw conclusie en goedbedoelde woorden een aantal zinnen uit te stellen. En pas wanneer je wat meer zicht hebt op wat je kind zegt en waarom, dan is het jouw beurt om te praten. Hiermee voorkom je dat je reageert op je eigen interpretatie en het gesprek een andere kant op leidt dan waar je kind behoefte aan heeft. Het feit dat je kind het uitspreekt is goed, alleen dan kun jij er namelijk mee aan de slag.

2. Do: Leren over de geschiedenis

Voor kinderen van kleur is het ontzettend belangrijk om te leren over de eigen geschiedenis. De trots van de cultuur, de heldendaden en bijvoorbeeld bijzondere uitvindingen van mensen waarmee jouw kind zich kan identificeren. In het Nederlands onderwijssysteem wordt dit namelijk vaak niet belicht. Het verhaal wordt verteld vanuit over het algemeen nog verteld vanuit het koloniale perspectief waardoor andere volkeren gezien worden als een volk met één cultuur, één taal. Het is belangrijk dat jij als ouder en opvoeder je kind bewust maakt van deze diversiteit en hen voorbeelden geeft om naar op te kijken. Ga (samen) op zoek naar informatie over de grootouders en voorouders, verhalen over de cultuur en land van herkomst. Het doel is namelijk dat je kind los komt van koloniale denkwijzen (geïnternaliseerd racisme) die het zelfbeeld negatief beïnvloeden.

4. Maak een plan en betrek de omgeving

Licht de omgeving in over de opmerkingen, hoe kunnen zij deze het beste herkennen en wat verwacht jij dat zij hierop antwoorden? Als jouw kind aangeeft ‘ik wil wit zijn’, is het belangrijk dat de omgeving op eenzelfde manier reageert. Zodat jouw kind niet van de ene persoon een schadelijk (en bevestigend) antwoord krijgt en van de ander een ander antwoord. Iedereen hoeft niet per sé het zelfde te zeggen, als jullie elkaar maar niet tegenspreken.

3. Do: Positieve affirmaties en spiegelwerk

Een krachtige manier om aan het zelfbeeld te werken is door de dag starten én/of eindigen met positieve affirmaties, deze formuleer je vanuit het kind en oefen je samen terwijl je in de spiegel kijkt. Maak er samen een leuke activiteit van, door er een rap van te maken, een gedicht of een liedje met een dansje erbij. Elk positief woord formuleer je vanuit ‘ik ben’, ‘ik heb’ of ‘ik kan’. Om je kind te motiveren kun je bijvoorbeeld starten met drie zinnen die jullie iedere ochtend bespreken in de spiegel, ‘ik ben mooi, zoals ik ben’, ‘ik heb een prachtige bruine huid’, ‘ik heb mooi haar’. Houd de zinnen kort en krachtig en benoem ze regelmatig. Zeg ze tegen de spiegel en zeg ze tegen elkaar. In het begin zal het wat moeizaam gaan en onwennig zijn. Maar hoe regelmatiger je het oefent des te normaler het wordt.

5. Neem de tijd

Verwacht niet op korte termijn resultaten. Zoals ik al aangaf het zelfbeeld wordt niet in korte tijd gevormd en dus kun je het ook niet in korte tijd veranderen. Consistency is key. Hoe vaker en beter je aan de slag gaat met de Do’s des te beter je kind het op pakt voor de lange termijn. Geef je kind daarom de ruimte om zich hierin te ontwikkelen. En vergeet vooral het stukje ‘Do The Work’ niet.

Meer info op Instagram en Facebook
Op zowel facebook als instagram heb ik bij deze post aanvullende informatie gezet. Het geheel, het lezen van deze blog en de plaatjes erbij op facebook en instagram maken veel duidelijk heb ik me laten vertellen door verschillende mensen die dit gedaan hebben. Wil jij het ook allemaal zo helder krijgen, volg me dan op:

‘Ga uit mijn kamer!’ hoor je de ene schreeuwen. Ze staan beide met gebalde vuisten tegenover elkaar en je ziet eentje uithalen, het lukt je nog net om ertussen te springen om te voorkomen dat het wéér vechten wordt. Terwijl je springt schreeuw je iets in de trant van ‘en nu ophouden!’. Het logische gedeelte van de hersenen dat kan nadenken over ‘is dit nou wel zo slim?’, of ‘kan ik dit ook anders oplossen?’ staat uit bij je kinderen. Er kan nu niet logisch nagedacht worden er moet gehandeld worden, het is vechten, vluchten of bevriezen en de vuisten maken de keuze duidelijk.

Als volwassenen willen we dan dat ze sorry zeggen en het uitpraten. Op dat moment zodat jij verder kunt met koken. Hun hersenen zijn er echter nog niet toe in staat. Met een snelle ademhaling, boze blik en nog steeds één gebalde vuist zegt er eentje ‘sorry’ terwijl zijn andere hand uitreikt naar de ander. De ander loopt stampvoetend weg. Een veelvoorkomende situatie in gezinnen. Misschien niet precies zo maar vast wel vergelijkbaar. Soms ben je op tijd en vaak genoeg ben je te laat om er tussen te springen.

Ik kan me nog goed de dagen herinneren dat mijn moeder zich in haar kamer opsloot. Ze was het geruzie tussen mijn 4,5jaar oudere zus en ik zat en vond dat we het zelf maar moesten oplossen. We waren immers ook zonder haar hulp begonnen.

Het vervelende aan al die ruzies, discussies en vechtpartijen is misschien nog wel dat het normaal is en dat er zelfs voordelen aan zitten. Kinderen oefenen namelijk met vaardigheden zoals assertiviteit, het sluiten van compromissen, conflictbeheersing, eigen grenzen aanvoelen, communiceren én deze te bewaken. Dat het niet allemaal op de juiste manier gaat moeten wij volwassenen zien als an opportunity to teach. Een mogelijkheid voor jou als ouder om essentiële vaardigheden aan te leren die zij ongetwijfeld nog nodig zullen hebben in hun volwassen leven. Dus bij dezen mijn tips voor kinderen vanaf 6 jaar en ouder.

Hoe je het beste omgaat met vechtende broertjes en zusjes

1. Regels en waarden

Natuurlijk heb je al regels in je huis, en ‘niet slaan’ is een kwestie van logica. Maar het helpt enorm als je als gezin stilstaat bij wat jullie belangrijk vinden en wat jullie ongepast vinden. Mijn tip is dan ook, betrek alle gezinsleden bij deze stap op een rustig moment. Maak er geen college van maar een gesprek. Wat vinden jullie belangrijk en fijn, denk aan waarden zoals, respect, vriendelijkheid en behulpzaamheid. Het opstellen van gezinswaarden helpt om een richting te bepalen en vergroot het eenheidsgevoel. Neem ook de ruimte om gezamenlijk regels op te stellen. Let op, dat er regels zijn betekent niet dat het gedrag niet plaats zal vinden. Regels helpen slechts om het goede gedrag te stimuleren. Regels werken het effectiefst als ze omschrijven wat je wél verwacht. Dus niet ‘we slaan elkaar niet’, maar ‘we houden onze handen bij onszelf’. Het is voor ons mensen namelijk ontzettend moeilijk om te bedenken wat wél mag als je alleen geconfronteerd wordt met wat niet mag. Denk maar eens aan de volgende zin ‘We gaan nu niet aan de paarse olifant denken’, durf te wedden dat je het wel deed.

2. Wees de facilitator

Als volwassenen zijn we geneigd om in te grijpen, we willen het verhaal van beide kanten horen en als een rechter willen we dan bepalen wie er fout zat, wie er minder fout zat en we willen de strafmaat bepalen. Hiermee ontnemen we onze kinderen onbedoeld de mogelijkheid om met ruzies en onenigheden om te gaan. Een andere optie die je hebt is het te faciliteren, je begeleidt het dan in goede banen, stelt open vragen en velt er geen oordeel over. Bijvoorbeeld vragen zoals ‘hoe kunnen jullie dit het beste oplossen?’. Door middel van je vragen stimuleer je juist gedrag ‘en als je boos bent, wat kan jou dan helpen om minder boos te zijn?’. Help de kinderen om hun gevoel te uiten en hun fouten te erkennen. Als je ervoor kiest om de kinderen het zelf op te laten lossen, benoem dan dat je nog wel bereikbaar bent voor als het niet lukt, ‘Jullie gaan het nu zelf uitpraten, mocht het toch niet lukken dan ben ik in de woonkamer’.

3. Leer ze kalmeren

Op een kalm en ruzieloos moment is het goed om stil te staan bij manieren om te kalmeren als je boos bent, wat helpt je dan om af te koelen? Voor de één is het weglopen, voor de ander zijn het ademhalingsoefeningen. Er zijn tal van manieren om te oefenen met kalmeren, denk aan yoga en ademhalingstechnieken maar ook de 5-4-3-2-1 techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu, waar boosheid en woede even rol spelen. Voor sommige kinderen (met name jonge kinderen) helpt het als je deze manieren om te kalmeren visueel maakt door ze op te schrijven en plaatjes erbij te zoeken. Wanneer ze dan boos zijn kun je ze de opties laten zien en vragen wat ze nu willen proberen om te kalmeren.

4. Praat over emoties

Leer je kinderen over emoties, wat ze inhouden en hoe zij deze bij zichzelf en bij anderen kunnen herkennen. Hoe ziet het eruit als je broertje geïrriteerd raakt? Wat gebeurt er als je niet stopt terwijl je zus boos wordt? Het is belangrijk dat kinderen leren dat emoties een doel hebben, dat iedereen ze heeft en dat er zowel fijne als verkeerde manieren zijn om je emoties te uiten.

[download_after_email id=”3171″]

5. Voorbeeld doet volgen

Net als vrijwel alles bij kinderen, helpt het als je als ouder het juiste voorbeeld geeft. Als je laat zien hoe het moet. We kunnen praten wat we willen maar als onze acties onze woorden tegenspreken, kiezen kinderen nou eenmaal de acties om na te doen. Dus als je ruzie of een onenigheid hebt met de andere ouder, jouw eigen broers en zussen of andere mensen, wees je bewust dat je kinderen meekijken, meeluisteren én notities maken. Vanzelfsprekend maken wij ouders ook wel eens fouten, zijn we boos en schelden we iemand uit. De trick is dan to own up to it. Erken je fout en bespreek hoe je het op kunt lossen, ‘Oeps, ik had even moeten kalmeren voordat ik dat zei, Sorry dat ik…’. Vermijd een excuses waarin je ‘maar’ gebruikt. Dat is namelijk een manier om het foute gedrag goed te praten. Denk aan ‘Sorry dat ik je geschopt heb maar ik was heel boos’.

6. Waardeer de verschillen

In onze maatschappij hechten we veel waarde aan labels. We houden ons bezig met de allerslimste, de allerbeste en de allermooiste. En onbewust zijn we er ook in ons eigen gezin mee bezig. Het ene kind wordt ‘die slimme’ genoemd en die andere ‘die met het goede haar’. Op kinderen kan dit een vervelende uitwerking hebben. Want als zij ‘die slimme’ is, ben ik het dan niet? En als zij ‘die met het goede haar is’, is mijn haar dan lelijk? Onbedoeld kan het voor gevoelens van jaloezie, onzekerheid en ontevredenheid leiden. Wees je dus bewust in hoe je over je kinderen praat en hoe anderen over jouw kinderen praten. Want het kan voor vervelende gevoelens naar broers en zussen toe zorgen. Zoek ook mogelijkheden om met ieder kind tijd door te brengen. Heb je er één die ontzettend uitblinkt in sport en waarvoor je het hele land afreist, kijk dan hoe je extra ook één op één tijd kunt doorbrengen met de andere(n).

7. Prepare for peace

In plaats van prepare for war, prepare for peace. Rollenspellen zijn een goede manier om met je kinderen te oefenen hoe zij hun ruzies een volgende keer beter kunnen oplossen. Doe dit op een moment dat er geen ruzies en onenigheden spelen en kijk of je er wat humor aan toe kunt voegen. Gebruik oude ruzies en situaties om te kijken hoe ze anders hadden kunnen reageren. Om ook het empathisch vermogen te vergroten helpt het als je van rol laat wisselen. Help ze om vanuit zichzelf te communiceren door middel van de ‘ik-boodschap’, ‘ik vind het niet fijn dat je dit doet’.

8. Neem de tijd

Ruzies tussen broertjes en zusjes zijn normaal. Deze tips kunnen je helpen om de ruzies te verminderen en wellicht wat eerlijker te laten verlopen. Ook kunnen ze helpen om ze op een andere betere manier te laten verlopen, maar ze gaan niet weg. Probeer het als kansen te zien om je kinderen de dingen te leren die zij nodig hebben voor hun volwassen leven. Wees geduldig en herhaal de tips regelmatig. Conflicthantering is een hele ingewikkelde en moeilijke vaardigheden, je kent vast genoeg volwassenen die er nog steeds mee worstelen. Dus wees niet te streng voor je kinderen. Evalueer van tijd tot tijd de regels en waarden en kijk waar aanpassingen nodig zijn. Mocht je er alleen niet uitkomen, vraag hulp.

Heb jij een kind dat wel eens blijft hangen in negativiteit? Een kind waarop een negatieve gebeurtenis lang effect heeft? Slecht nieuws meer dan goed nieuws? Aan de ene kant is dit heel normaal, zo zijn de hersenen van alle mensen geprogrammeerd. We zijn scherp op negativiteit omdat het ons kan bedreigen. Dus zien onze hersenen het als belangrijker dan iets dat we als positief ervaren. Maar het is ook een vicieuze cirkel. Hoe negatiever we denken des te negatiever we ons gaan gedragen en des te negatiever we alles gaan zien. Dit kan afglijden tot aan het ongezonde aan toe, denk aan depressies en burnouts (ook onder kinderen!). Het goede nieuws is dat het te veranderen is. Wij mensen kunnen onze hersenen ‘herprogrammeren’. We kunnen positiever leren denken, ons daardoor positiever gaan gedragen, situaties positiever inzien waardoor we er ook weer positiever over kunnen gaan denken.

Wist je bijvoorbeeld dat ‘je gelukkig voelen’ meer te maken heeft met je gedachten dan met je omstandigheden. Op het moment dat je gelukkig bent, kun je beter presteren, op school, je hobby’s, in contact met andere mensen en gewoon in het dagelijks leven. Daarom is het belangrijk dat we onze kinderen leren om positiever te denken. Zodat zij niet alleen streven om succesvol te worden in het leven maar ook gelukkig zijn. Want wat is succes zonder dat je gelukkig bent?

Hoe jij jouw kind een positieve mindset aanleert

1. Praat over emoties

Het is belangrijk dat kinderen leren dat emoties een doel hebben, dat iedereen ze heeft en dat er zowel fijne als verkeerde manieren zijn om ze te uiten. Je wilt een kind niet aanmoedigen om zijn emoties weg te stoppen maar juist aan te leren hoe ermee om te gaan. Zowel de fijne als de vervelende emoties. Gevoelens zoals verdriet en boosheida helpen ons om een verandering aan te brengen in ons denken of onze omgeving. Wanneer je kinderen verdrietig zijn, reageer begripvol en empathisch. Liever ‘ik begrijp het, het is vervelend dat je niet uitgenodigd bent voor het feestje en je mag daar best verdrietig over zijn’ dan ‘Kop op, het is maar een feestje, good vibes only!’.

2. Wees je bewust van taal

Taal is krachtiger dan we ons soms bewust zijn. Het kan een kind maken en zeker ook breken. Als ouders zijn wij verantwoordelijk voor de manier waarop het gedachtenstemmetje communiceert, positief of negatief. Als je kind een negatieve emotie ervaart en misschien op een verkeerde manier uit, kijk dan hoe je je kind bewust kunt maken van die emotie, hoe je deze emotie herkent en bespreek hoe emotie gepaster geuit kan worden. Denk aan een boos kind dat brutaal is en de deur dichtgooit. Vaak hebben we als ouders dan de neiging om op de deur te reageren en hoewel dat fout is, gebeurt het omdat het kind boos is en hier nog niet mee om weet te gaan. Je kunt je kind dan wel verbieden om de deur nog aan te raken maar het is zinvoller als je je kind leert hoe je met boosheid omgaat.

3. Helaas… maar gelukkig!

Op speelse wijze kun je kinderen leren om het positieve in negatieve situaties te zien. ‘Helaas is het niet gelukt om op tijd te komen maar gelukkig konden we hierdoor wat extra tijd met elkaar door brengen’. Het kunnen fictieve situaties zijn maar ook milde en echte situaties. De eerste keren zul je de ‘maar gelukkig’ wat vaker moeten demonstreren voordat ze het doorhebben maar kinderen leren dit snel. Probeer dit ook in je dagelijkse gesprekken zo te bespreken, daar word je zelf ook positiever van.

4. Denk hardop

‘Kinderen doen niet wat we zeggen, ze doen wat ze bij ons gezien hebben.’. Als ze zien dat iets voor ons volwassenen werkt, dan zullen zij het ook doen. Dus wanneer jij een fout maakt, verdrietig bent, boos bent of wat dan ook begin met ‘helaas, maar gelukkig’. Vertel eerlijk over je emoties, welke opties je hebt en waarom je de keuze maakt die je wilt maken. Betrek je kind in (gepaste) situaties om mee te denken over de keuzes die je hebt.

[download_after_email id=”3171″]

5. Oefen met dankbaarheid

Met oudere kinderen werkt het goed als je samen een dagboekje bijhoudt, waarin je stilstaat bij dankbaarheid en bijvoorbeeld de ‘helaas, maar gelukkig’ momenten. Je kunt erin opschrijven hoe jij je gevoeld hebt en wat er voor positieve kant aan zit. Dit kun je dan bijvoorbeeld één moment in de week samen na lezen en weer bij stil staan. Doordat jullie het samen doen kunnen jullie van elkaar leren, elkaar eraan helpen herinneren en elkaar uitdagen om dieper te gaan. Hierdoor trainen jullie je hersenen om bewuster te worden van de positieve dingen in jullie levens en het is een mooie gezinsactiviteit. Met kleinere kinderen die nog niet kunnen schrijven kun je het bijvoorbeeld ‘s avonds voor het slapengaan bespreken.

6. Wees je bewust van het nu

Vaak houden negatieve gedachten verband met het verleden of de toekomst. Mindfullness is een goede manier om je bewust te worden van het nu, je gevoel, waar je bent en wat voor invloed dat op je heeft. Er zijn verschillende manieren om je bezig te houden met mindfullness en daardoor zit er vast wel iets tussen dat bij jou en je kind past. Denk aan ademhalingsoefeningen, yoga of de ‘5-4-3-2-1’-techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu, waar angst en onzekerheid even geen rol spelen.

7. Maak een kalender

Maak samen met je kind een kalender waarop je bijhoudt wat de leuke dingen zijn, zodat je kind ernaar kan aftellen. Met de mogelijkheid om dagen die geweest zijn af te kruisen help je je kind om zich bewust te zijn van de tijd en dagen en geef je je kind ook de ruimte om uit te kijken naar leuke gebeurtenissen. Kinderen zijn gelukkiger als ze naar iets uit kunnen kijken. Iedere keer als ze eraan denken komen er gelukshormonen vrij en die helpen om op dat moment gelukkig en positief te zijn. Ook het uitstellen van bepaalde beloningen helpt, denk dan aan een beloning als in de tuin met water spelen. Verplaats je in je kind, hoe leuk is het als je weet dat je over twee dagen met water mag spelen in de tuin. Iedere ochtend kijk je op je kalender en zie je dat het al bijna zover is. Ieder moment dat je kijkt, komen er weer gelukshormonen vrij. Die je kunnen helpen om je dag positief te starten.

Daar stond hij dan. 11 jaar, en klaar om het podium op te gaan. Strak in het pak, tekst in zijn hoofd (en op een spiekbriefje) en zijn haar netjes gevlochten. Ik liep als projectleider en coach nog even langs alle kinderen en toen viel het me op. Zijn geschrokken blik, knikkende knieën en de rode vlekken in zijn nek. Hij was angstig. Toen ik hem vroeg hoe het met hem ging, rende hij naar het toilet en hij wilde er niet meer vanaf komen. Faalangst. Een belemmerende angst die hem ervan weerhield om zijn eindpresentatie te geven. Ondanks dat hij zijn tekst zo goed kende en ondanks dat zijn tekst maar uit drie zinnen bestond.

Kinderen met faalangst vreten zichzelf op om soms voor ons onduidelijke redenen, het komt op ons niet logisch over. Want hij kan wel zingen in het koor van de kerk, zelfs zijn solo maar zijn presentatie van drie zinnen lukt niet. Ze krijgen buikpijn, hoofdpijn en vermijden op elke mogelijke manier dat waar ze zo angstig voor zijn. Voor ouders, ooms en tantes kan dit erg lastig zijn. Want wat kan er nou mis gaan als je op een podium staat. Faalangst gaat niet alleen over op een podium staan, het kan ook te maken hebben met de angst om een toets te maken, spreekbeurt te geven en zelfs de angst om mee te doen aan gym. Ik zou graag willen zeggen dat je faalangst verhelpt met mijn zes tips, maar dat is niet zo. Het zijn slechts simpele tips die je kunnen helpen in het benaderen van je kind en als je het echt niet meer weet, zoek hulp, een coach/trainer, de intern begeleider van school, het wijkteam, consultatiebureau en zelfs de huisarts kunnen je adviseren.

Hoe jij je kind met faalangst kunt helpen

1. Herkennen en accepteren

Kinderen met faalangst zijn geen watje, softie, bobo (Surinaams) of kobarde (Papiamento). Naampjes en labeltjes geven helpt totaal niet. Het geeft hen het gevoel dat je het niet serieus neemt. Faalangst verminderen helpt met het serieus nemen van het kind en zijn of haar angst. Bied een veilige omgeving waarin er zonder oordeel en dwang over gesproken kan worden. Accepteer dat je kind last heeft van faalangst en bedenk of jouw verwachtingen van je kind mee kunnen spelen in de angst die je kind ervaart.

2. Leer je kind over angst en het doel

Angst is niet zomaar, het heeft de essentiële functie om te zorgen dat je kunt overleven. Het maakt je alert op eventueel gevaar en zo zorgt het ervoor dat je veilig bent of de veiligheid kunt opzoeken. Het goede nieuws is dat faalangst af te leren is. Het begint heel klein bij jou als ouder met het geven van het goede voorbeeld. Dit kun je doen door allereerst toe te geven wanneer je iets angstig of spannend vind. Ten tweede, dat wat je angstig of spannend vind toch te doen en dan het liefst in het zicht van je kind. En tot slot het er met je kind over te hebben hoe je dit ervaren hebt. Hiermee leer je je kind niet alleen dat het normaal is om angstig te zijn, maar ook dat je angst begrijpt en dat je manieren weet hoe je dit kunt overwinnen.

3. Eerst kalmeren dan praten

Wanneer kinderen met faalangst aangeven dat ze iets niet durven dan is onze neiging om hen uit te leggen dat ze het wel kunnen. Dat ze een kanjer zijn en dat willekeurig-kleiner-of-jonger-persoon het wel kan en gedaan heeft. We willen ze aan de hand nemen en hopen dat ze de moed bij elkaar rapen. Terwijl in feite hun hersenen geblokkeerd zijn, ze staan onterecht in een vecht-vlucht en/of bevries modus. De hersenen zien slechts die drie opties. Voor anderen is de angst vaak onbegrijpelijk en daarom willen we praten, maar praten helpt niet. Het is belangrijker om het kind eerst te kalmeren. Maak gebruik van ademhalings- bewustwordings- en visualisatieoefeningen. Even terug naar de kern en die kalmeren.

4. Leer je kind copingsstrategieeen

Coping gaat over hoe je met stress en problemen omgaat. Er zijn veel verschillende copings strategieën en het is vaak een kwestie van proberen en kijken wat er past. Copingsstrategieen bij kinderen werken het beste als je ze samen doet. Denk aan ademhalingstechnieken en bewustwordingstechnieken. Een tactiek die ik kinderen graag meegeef is de ‘5-4-3-2-1’ techniek. Noem vijf dingen die je ziet in je omgeving, vier dingen die je kunt voelen uit je omgeving, drie dingen die je nu hoort, twee dingen die je nu ruikt en één ding dat je nu op dit moment proeft. Het helpt kinderen om te aarden en zich bewust te worden van het hier-en-nu. Je kunt het preventief gebruiken maar ook wanneer de angst zich al voordoet.

[download_after_email id=”3171″]

5. Focus op het proces

Kinderen met faalangst zijn zelden tevreden, uit angst voor hun eigen teleurstelling en die van anderen gaan ze soms spannende dingen niet aan. Soms gaan ze het wel aan stoppen ze omdat ze ontevreden zijn over de start en bang zijn voor het resultaat. Het is belangrijk dat jij als ouder je kind helpt om op het proces te focussen en niet op het eindresultaat. Voer gesprekjes over hoe ze iets vinden zolang ze er nog mee bezig zijn. Leer je kind over de groeimindset en dat ze invloed hebben op hun angst en dat ze ervan af kunnen komen.

6. Weet wanneer je moet instappen

Dit is lastig maar zeer belangrijk. Het is lastig omdat het om een balans gaat, de balans tussen je kind beschermen en je kind zijn/haar angst laten ervaren. Enerzijds is het namelijk belangrijk dat jij je kind met kleine stapjes uitdaagt en soms de angst laat ervaren. Anderzijds is het belangrijk dat je tijdig ingrijpt om erger te voorkomen. Deze stap is puur intuïtief, niemand kent je kind zoals jij dat doet en het feit dat je erover nadenkt en ermee bezig bent zal je helpen om op het moment een keuze te maken. Geef je kind om tijd en ruimte te leren van zijn / haar fouten, praat erover en kijk waar en wanneer jij je kind beter nog even kunt beschermen.

‘Zelfvertrouwen is what makes the world go ’round’. Niet helemaal, maar in interactie met andere mensen komt het wel ontzettend goed van pas. Zelfvertrouwen omschrijf ik als het vermogen om van jezelf te houden, jezelf als een prettig mens te zien dat zijn/haar inspanning en blessings waardig is en in staat is om positieve veranderingen teweeg te brengen. Daarnaast blijkt uit verschillende onderzoeken dat mensen met een positief zelfbeeld betere keuzes maken, veerkrachtiger zijn en beter hun best doen om hun doelen te bereiken. Ze zijn vaker gelukkig, succesvol in wat ze doen en emotioneel stabiel. See? It makes the world go ’round.

Het mooie aan zelfvertrouwen is dat het niet iets permanents is. Als ouder kun je het beïnvloeden. Je kunt het vergroten en verbeteren en ervoor zorgen dat kinderen opgroeien tot gelukkige, succesvolle en emotioneel stabiele volwassenen. Je doet vast al een heleboel dingen om eraan bij te dragen. Maar had je al eens bewust stil gestaan bij mijn tips?

Hoe jij jouw kind mentaal sterk praat

1.Biedt keuzes en geef verantwoordelijkheid 

Zelfvertrouwen is niet iets dat je alleen aangepraat kan worden. Door te ervaren wordt het zelfvertrouwen vergroot. Als volwassene is het daarom essentieel dat je ook daadwerkelijk het vertrouwen hebt in een kind en het laat merken. Het begint met het aanbieden van leeftijdsadequate keuzes en verantwoordelijkheden. Laat je peuter bijvoorbeeld zelf eens een kledingstuk uitkiezen en aantrekken. Je 4-6 jarige eens de weg leiden naar school. Kijk wat er bij je tiener past qua vrijheden.

Probeer bepaalde persoonlijke normen en waarden eens een beetje losser te laten en bied je kind de veilige ruimte om fouten te maken. Het ervaren van deze ruimte om fouten te maken helpt om het zelfvertrouwen te vergroten.

2. Complimenteer het proces niet het resultaat

In deze maatschappij zijn we erg gebrand op het behalen van goede resultaten. Daardoor lijkt het normaler om een compliment te geven als we het rapport vol tienen zien dan wanneer het kind bezig is met huiswerk maken. Terwijl het juist ook fijn is als je een compliment krijgt terwijl je bezig bent met de inspanning en dus niet alleen wanneer het harde werk al gedaan is. 

Meer complimenten betekent niet per se goede complimenten. Een effectieve manier om doelbewust aan de slag te gaan met het vergroten van het zelfvertrouwen is door slechts een aantal hele oprechte specifieke complimenten te geven. 

In plaats van ‘goed zo’ en ‘heel goed’ te herhalen, denk na over wat je precies goed vond. ‘Ik ben er trots op dat je opgave vier nog eens probeerde terwijl je het eerder zo moeilijk vond’ of ‘Ik zag dat je er eerst heel erg tegenop keek en het toen toch maar ging doen dat inspireert mij ook om dat ook maar eens te gaan doen met de was’.

3. Creëer kansen en daag uit

Ieder kind heeft iets waar hij of zij goed in is. Door activiteiten aan te bieden die passen bij de interesses van je kind kun je het werken aan het zelfvertrouwen leuk houden en kun je tegelijkertijd je kind uitdagen. Ga bewust aan de gang met het aanbieden van oefenmomenten en kijk waar je het in overleg met je kind ietsjes moeilijker (maar nog wel haalbaar) kunt maken. Het overleg is belangrijk zodat je kind zich bewust is van dat de uitdaging wel of niet behaald heeft. Is het niet gelukt, geen ramp dan was het voor nu nog te moeilijk. En nu weten jullie dat. Is het gelukt, dan is dat prima en kun je het misschien nog een beetje moeilijker maken in overleg.

[download_after_email id=”3171″]

4.Vermijd kritiek en sarcasme

Iedereen heeft een innerlijke stem, het stemmetje dat je helpt met keuzes maken, dat je vertelt wanneer je verliefd bent en dat je soms ‘je kunt het!’ influistert. Als ouders en volwassenen onderschatten we soms wat voor invloed onze manier van praten heeft op kinderen. Hoe meer wij als volwassenen positief en bemoedigend praten tegen de kinderen in onze omgeving, des te meer de innerlijke stem zich helpend en steunend vormt.

Kritiek is soms gewoon niet te vermijden in het ouderschap. Maar er zijn verschillende manieren om je kritiek te uiten zodat ze niet ten koste gaan van het zelfvertrouwen dat je probeert op te bouwen. 

  1. Bekritiseer niet vanuit je frustraties. Neem de tijd om af te koelen en biedt je kritiek aan als feedback. Als een wens voor ander gedrag.
  2. Bekritiseer je kind niet bij anderen. Dit leidt tot schaamte en draagt niet bij tot een goed gevoel.
  3. Benadruk dat je het gedrag dat het kind bekritiseerd en niet het kind zelf.